Meestal vangen reptielen, met uitzondering van schildpadden, het voedsel met de tanden, ze
houden het ermee vast en soms maken ze het ermee klein. De tanden van de recente reptielen
hebben een of drie punten en bevinden zich niet alleen op de kaakbeenderen maar ook op de
beenderen van het verhemelte. Men onder scheidt verschillende typen gebit al naar gelang de
bevestiging van de tanden. Bij alle slangen en de meeste hagedissen zitten de tanden aan de
binnenkant tegen de kaakbeenderen of staan in ondiepe holten (pleuro dont). Bij een paar
hagedissenfamilies staan de tanden op de kaakrand (acrodont). Bij krokodillen staan de tanden,
net als bij zoogdieren, in tandholten (thecodont). Bij schildpadden hebben hoornrichels en
randen de funktie van tanden overgenomen.
De goed ontwikkelde speekselklieren zorgen door middel van speeksel voor de voorvertering en
dat het voedsel makkelijk naar binnen glijdt. Bij gifslangen zijn de oorspeekselklieren
gifklieren geworden, de afvoergangen staan in verbinding met de giftanden. De tong is bij
hagedissen en slangen lang en kan ver wor den uitgestoken. De tong die vaak tweepuntig, bij
alle slangen en enkele hagedissen zelfs sterk gespleten, is dient niet allen als onderdeel
van een chemisch zintuig maar er kan ook voedsel en water mee opgelikt wor den. Kameleons
hebben met hun uitklapbare tong die vaak langer dan hun lichaam een bijzondere manier van
voedsel vangen ontwikkeld. Schildpadden hebben een kleine niet uitsteekbare tong en bij
krokodillen is de tong zelfs met de bodem van de mondholte vergroeid. De slokdarm heeft
lengteplooien en is duidelijk ge scheiden van de maag. De enorme elasticiteit van mondholte
slokdarm en maag zorgen er voor dat, met name door slangen, in verhouding tot het lichaam
enorme prooien in hun geheel doorgeslikt kunnen worden. Op de grens van dunne en dikke darm
is vaak een blinde darm. Het spijsverteringsstelsel eindigt dan uitein delijk in de cloaca
waar de dikke darm uitmondt en het voedsel via de cloacaspleet het lichaam verlaat.
Bij reptielen is voor het eerst binnen de stam van de gewervelden een functionele nier te
vinden, de nanier (metanephros). De oernier (mesonephros) is alleen nog in het embryonale
stadium werkzaam. Via de urine leider worden de afvalstoffen van de nanier naar de cloaca
gevoerd waar ze als een witte massa met de uitwerpselen het lichaam verlaten. Een urineblaas
is bij schildpadden en hagedissen in de vorm van een uist stulping van de cloacawand.
Terugkeren naar Inhoudsopgave