Omdat reptielen hun hele leven op het land doorbrengen leggen ze ook eieren op het land.
Deze eieren zijn dooierrijk en bevatten een membraan (amnion) dat voorkomt dat ze uitdrogen
en zorgt dat het ei lucht 'a demt'. Hiermee is het voor het eerst binnen de stam van
gewervelde dieren mogelijk de embryonale ontwik keling naar het land te verplaatsen. Doordat
de eieren van een schaal voorzien zijn moet de bevruchting inwendig plaatsvinden. Mannelijke
reptielen hebben bijna altijd uitstulpbare geslachtsorganen waarmee ze sperma in de cloaca
van het wijfje brengen. Van daaruit gaan de zaadcellen, geleid door chemische prikkels, door
de eileider omhoog. Bij schildpadden en krokodillen is het mannelijk geslachtsorgaan
enkelvoudig in overeenstemming met dat van zoogdieren. Hagedissen en slangen hebben gepaarde
geslachtsorganen (hemipenes). Bij de paring worden beide hemipenes uitgestulpt maar slechts
een, de dichtstbijzijnde, wordt in de cloaca van het wijfje gebracht. In rusttoestand zijn
de hemipenes teruggetrokken wat de gezwollen staartbasis bij mannelijke slangen en hagedissen
verklaart. De vorming van uitstulpbare geslachtsorganen is niet noodzakelijk, een voorbeeld
hiervan is de brughagedis (zie afbeelding) die, zoals de meeste vogels, een dergelijk orgaan
niet heeft en sperma overdraagt door beide cloaca's op elkaar te drukken. Vaak blijven bij
reptielen de in de eileider opgenomen zaadcellen lang in leven en kunnen nog na maanden, zelfs
jaren ei cellen bevruchten. Bij slangen en scildpadden is een vertraagde bevruchting
(amphigonia retardata) van nog meer dan drie jaar na de laatste copulatie aangetoond.
De ontwikkeling van het embryo begint gewoonlijk na het leggen van de eieren en is
afhankelijk van de temperatuur van de omgeving. Binnen bepaalde grenzen leidt een hogere
temperatuur tot een snellere ontwikkeling. Bij sommige reptielen is het geslacht van de
jongen afhankelijk van de omgevingstemperatuur. Reptielen bebroeden, op enkele reuzenslangen
na, hun eieren niet. Soms beschermen de wijfjes de eieren tot deze uitgekomen zijn. Het feit
dat de eieren op het land gelegd worden en zeer dooierrijk zijn heeft als gevolg dat de
ontwikkeling van het embryo zeer ingewikkeld is. De dooier neemt geen deel aan de delingen
van de eicel waardoor het embryo op de dooierzak lijkt te drijven. Al in een vroeg stadium
groeien zijdelingse plooien van het eivlies (ectoderm) over de kiem heen zodat een met
vloeistof gevulde blaas ontstaat (amnion) waarin de kiem zijn ontwikkeling doorloopt. Uit
een uitstulping van de embryonale cloaca ontstaat een tweede vlies, de oerblaas (allantois)
die de afvalstoffen van de stofwisseling opneemt, dan verder groeit en zich onder de eischaal
uitbreidt. Het belangrijkste orgaan voor de gaswisseling is de oerblaas, de embryo nale 'long'
die tegen het chorion aan ligt en zo zorgt dat zuurstof en kooldioxide door de poreuze
(permeabel) schaal heen kan. De wand van de allantois is daarom ook rijkelijk van bloedvaten
voorzien. Eiwit en dooier dienen als voeding voor het embryo, water wordt door eieren van
hagedissen en slangen, die een zachte schaal hebben, uit de omgeving opgenomen. Dit gebeurt
in mindere mate bij de eieren van schildpadden, krokodillen en gekko's die van een hardere
schaal voorzien zijn. Bij het uitzoeken van een geschikte plaats om de eieren te leggen
wordt door het wijfje voor de nodige vochtigheid gezorgd. Als ze uit het ei komen zijn de
jongen meteen zelfstandig. Verzorging van de jongen komt bij reptielen niet voor. Onder
hagedissen en slangen komen ook levendbarende soorten voor (vivipaar). In het eenvoudigste
geval doorlopen de eieren hun volledig ontwikkeling terwijl ze zich in de eileider bevinden.
Bij het leggen van de eieren, of kort daarna, scheurt het dunne omhulsel van het ei.
Deze vorm van levend baren vereist geen vereist geen bijzon dere organen voor de voeding
van het embryo en wordt dan eierlevendbarend (ovivipaar) genoemd.Terugkeren naar Inhoudsopgave