Reptielen


Schedel en skelet
Schedel en skelet vormen bij reptielen een hecht stelsel van verbindende en ondersteunende elementen. De reptielenschedel heeft in de loop der tijd opmerkelijke veranderingen ondergaan en is meerdere malen van bouw veranderd. Door de reductie van de dekbeenderen van de slaapstreek wordt plaats gemaakt voor de spieren. De schedel bereikt hiermee bij de meest recente reptielen een hoge mate van beweeglijkheid van de afzonderlijke beenelementen. De kop van het achterhoofdsgewricht is bij reptielen enkelvoudig, niet dubbel zoals bij amfibieën. De eerst aanleg tot vorming van een verbeend verhemelte vinden we bij schildpadden. Bij krokodillen scheidt een volledig verhemelte de mondholte van de inwendige neusgang, die pas ver naar achteren uitmondt in de keel (choane). Het skelet bestaat uit een wervelkolom, samengesteld uit wervels die op drie, bij slangen op vijf, punten met elkaar verbonden door middel van gewrichten, aantal vorm en type gewricht zijn bij de afzonderlijke reptielgroepen zeer verschillend. Deze verbinding door gewrichten garandeert naast de nodige beweeglijkheid ook de starheid van de wervelkolom, zodat de krachten van de aangehechte spieren overgebracht kunnen worden. De eerste twee wervels (atlas en epistropheus) zijn zo aangepast, dat zij een draaiende beweging mogelijk maken. De wervels van de romp en vaak ook de nek en staartwervels, dragen ribben. De schoudergordel is opgebouwd uit een aantal gepaarde beenelementen (coracoid, procaracoid en scapula) en meestal ook nog sleutelbeenderen (clavicula) en een tussensleutelbeen (interclavicula). De bekkengordel bestaat uit drie gepaarde elementen.

Het extremiteitenskelet vertoont de bij de op het land levende gewervelde dieren algemene opbouw. Vanaf de romp eerst een enkelvoudig beenelement, dan een dubbel element en verder naar buiten gevolgd door handen en voeten. Bij de voorpoten zijn dit: het opperarmbeen (humerus), spaakbeen en ellepijp (radius en ulna), handwortelbeenderen, middenhand en vingers. De achterpoten: dijbeen (femur), scheenbeen en kuitbeen (tibia en fibula), voetwortelbeenderen, middenvoet en tenen. De vingers en tenen bestaan uit een vijftal of minder, de laatste kootjes dragen meestal klauwen. Bij slangvormige reptielen zijn de ledematen gereduceerd of helemaal verdwenen. Vormen die zich in het water begeven hebben vaak peddelvormige poten.

Terugkeren naar Inhoudsopgave