Reptielen


Eigenschappen van de huid
Anders dan bij amfibieën is bij reptielen de huid geen ademhalingsorgaan meer. Bij reptielen kan deze dan ook een beschermende functie vervullen in de vorm van een krachtig ontwikkelde opper- en lederhuid. De verhoornde huid bestaat uit schubben die op een bepaalde, per soort verschillende, manier gerangschikt zijn. Grote die zich vaak op de kop of buik bevinden noemt men schilden. Het aantal schubben of schilden kan belangrijk zijn bij de determinatie van de soorten. De verhoornde opperhuid is bij slangen en hagedissen een geheel van dood materiaal, eenmaal gevormd kan hij dus niet meer groeien. Dit is de rede waarom slangen en hagedissen regelmatig vervellen. Ze stropen de oude huid af en de nieuwe, iets grotere, huid komt tevoorschijn. De tussenpozen tussen de vervellingen worden naarmate het dier ouder wordt groter. Het vervellen stopt niet want de groei gaat wel steeds langzamer maar komt nooit helemaal tot stilstand. Kleur en tekening wordt bepaald door de soort en rangschikking van de pigmentcellen (chromatoforen) in de onderhuid (cutis). Door uitbreiding of samentrekken van het pigment in deze cellen, die in verschillende lagen in de onderhuid liggen, kan de kleur van het reptiel en soms ook zijn tekening veranderen. Een bekend voorbeeld hiervan is de kameleon. Minder bekend is dat de meeste reptielen, dus ook slangen en zelfs krokodillen en schildpadden, zij het in mindere mate van kleur kunnen veranderen. Het wisselen van kleur wordt door zenuwen of door hormonen geregeld en staat vaker een communicerende dan een camouflerende functie.

Terugkeren naar Inhoudsopgave